Studerend kind? Makkelijker kunnen we het niet maken. Wel iets goedkoper.
We willen natuurlijk allemaal graag dat onze kinderen studeren. Het is een investering in hun toekomst en wie weet, nemen ze later de zaak wel van u over. Maar zo’n studie is niet alleen tijdrovend, het kost ook het nodige. En de belastingregels zijn wat gewijzigd, dat maakt het er niet eenvoudiger op. Gelukkig is er toch een manier om uw kinderen fiscaal aantrekkelijk door hun studie te helpen. Financieel dan, dat studeren moeten ze toch echt zelf doen.
Toekomstig fiscaal voordeel
Per 1 januari 2015 vervalt de aftrek voor kosten van levensonderhoud voor kinderen jonger dan 21 jaar. Uw kind kan wel zelf fiscaal voordeel behalen door directe studiekosten (collegegeld, computerkosten, examengeld en dergelijke) af te trekken bij de aangifte inkomstenbelasting. Dat is vooral handig als uw kind geen of een laag belastbaar inkomen heeft. Die studie-uitgaven worden dan als persoonsgebonden aftrek naar de toekomst verlegd. En na de studie verrekent uw kind die aftrek met het belastbaar inkomen. Uw kind bouwt zo dus een toekomstig voordeel op.
Lenen en terugbetalen
Het lastige is dat uw kind die studiekosten waarschijnlijk niet zelf kan betalen (anders hoeft u niet bij te springen, nietwaar?). Maar het is wel een voorwaarde voor aftrek dat de kosten gemaakt worden door het kind zelf. De oplossing is dat u uw kind geld leent. Om te voorkomen dat de belastingdienst die lening als schenking ziet, rekent u 6% rente en maakt u een leenovereenkomst. Vermeld daarin het doel van de lening en een terugbetalingsverplichting. En dat terugbetalen kan dan weer eenvoudig door de jaarlijkse schenkingsvrijstelling van € 5.277 te benutten.
Studie fiscale aftrekpost
Ook zonder de aftrek voor de kosten van levensonderhoud van uw studerende kind is er zo dus fiscaal voordeel te behalen. De studie wordt er niet makkelijker van. Maar wel wat goedkoper.
Wisseling auto van de zaak en bijtelling privégebruik
/in Belastingen, FiscaalHet blijft kennelijk lastig om in te zien wat de gevolgen zijn van het intrekken van een verklaring geen privégebruik auto in de loop van een kalenderjaar. Dat gebeurt nogal eens na een wisseling van auto. Ongeacht het aantal auto’s dat in een jaar ter beschikking heeft gestaan is de bijtelling voor privégebruik van toepassing wanneer meer dan 500 kilometer privé is gereden in dat jaar.
Een werknemer hield over de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 april 2013 een sluitende rittenadministratie bij voor zijn auto van de zaak. Volgens de rittenadministratie heeft hij in deze periode in totaal 41 privékilometers gereden. Vervolgens verzocht hij om intrekking van de verklaring geen privégebruik, omdat hij na de wisseling van auto verwachtte meer dan 500 privékilometers te gaan rijden. De Belastingdienst legde een naheffingsaanslag loonheffingen op waarin rekening werd gehouden met de cataloguswaarde van de eerste auto.
Volgens de werknemer was de eerste auto niet ook voor privédoeleinden aan hem ter beschikking gesteld door de werkgever. In zijn optiek moesten de 41 privékilometers tegen de waarde in het economisch verkeer bij hem worden belast en moest de bijtelling voor de eerste auto achterwege blijven.
In de wet staat dat een auto geacht wordt ook voor privégebruik ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat het privégebruik op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer bedraagt. De Hoge Raad heeft jaren geleden al geoordeeld dat een verbod op privégebruik van een auto geen rol speelt bij de vraag of aan de werknemer een auto ter beschikking is gesteld. De opvatting van de werknemer dat per auto bekeken moet worden of sprake is van privégebruik, volgt de rechtbank niet. De Hoge Raad heeft in 1997 al eens beslist dat bij gebruik van meerdere auto’s van de zaak in een kalenderjaar op jaarbasis moet worden bekeken of de kilometergrens is overschreden. In dit geval stond vast dat de werknemer in het kalenderjaar met de tweede auto meer dan 500 kilometer privé heeft gereden en dus gold de bijtelling voor het hele kalenderjaar. Hof Den Haag sloot zich in hoger beroep bij het oordeel van de rechtbank aan.
Gevolgen wisseling van auto van de zaak
/in FiscaalHet blijft kennelijk lastig om in te zien wat de gevolgen zijn voor de bijtelling wegens privégebruik bij een verandering van auto in de loop van een jaar. Een aardig voorbeeld vormt de vervanging van een auto met 25%-bijtelling door een auto met 0%-bijtelling. Ongeacht het bijtellingspercentage blijft de bijtelling voor privégebruik alleen achterwege wanneer niet meer dan 500 kilometer privé is gereden in een kalenderjaar.
Een werknemer reed in de periode van 1 januari 2013 tot en met 5 juli 2013 met een auto van de zaak die onder de 25%-bijtelling viel. In deze periode hield hij een sluitende rittenadministratie bij. Het aantal privékilometers in die periode was lager dan 500. Vanaf 29 juli had de werknemer een auto van de zaak die onder de 0%-bijtelling viel. Vanwege dat bijtellingspercentage meende de werknemer dat hij geen rittenadministratie hoefde bij te houden. Het gevolg daarvan was dat hij niet kon aantonen dat hij in het hele kalenderjaar 2013 niet meer dan 500 km privé had gereden. Daardoor was voor het gehele jaar de bijtelling wegens privégebruik van toepassing, ondanks de sluitende rittenadministratie over het eerste halfjaar.
Belastingplichtig in Nederland als ook in België wordt gewoond?
/in FiscaalEen huisarts en zijn vrouw bezitten in Nederland een woning, maar wonen in een huurhuis in België. Zij stellen dat ze in 2001 zijn verhuisd naar het huurhuis in België en daarom niet belastingplichtig zijn in Nederland voor de afkoop van een oudedagslijfrente, een stamrecht en de liquidatie-uitkeringen uit twee BV’s. De Nederlandse woning kan volgens hen niet kwalificeren als een duurzaam verblijf, omdat deze zo beschadigd is dat deze niet meer op normale wijze bewoond kan worden. Dit blijkt uit het lage verbruik van gas, licht en water. De inspecteur heeft echter voldoende aangetoond dat het middelpunt van hun levensbelangen in Nederland ligt, aldus het hof. De Hoge Raad bevestigt deze uitspraak.
Geen fictieve erfrechtelijke verkrijging
/in FiscaalDe Successiewet 1956 regelt de belastingheffing over schenkingen en nalatenschappen. Deze wet bevat een aantal fictiebepalingen. Een daarvan merkt als een verkrijging krachtens erfrecht aan de aangroei van blote naar volle eigendom van een goed waarvan de erflater een vruchtgebruik had. De erflater wordt geacht het vruchtgebruik van een goed te hebben gehad als hij aan degene ten laste van wie het genot van het goed komt niet jaarlijks daadwerkelijk 6% van de waarde van het goed betaalt. Een fictieve erfrechtelijke verkrijging verhoogt het bedrag waarover erfbelasting betaald moet worden.
De Belastingdienst corrigeerde de hoogte van een erfrechtelijke verkrijging volgens de aangifte erfbelasting met een fictieve verkrijging van € 375.000. De erflater had enkele jaren voor zijn overlijden een schenking gedaan door aan ieder van zijn kinderen een dergelijk bedrag rentedragend schuldig te erkennen. De rente bedroeg 6% en werd jaarlijks vooruit betaald. Volgens de Belastingdienst was over de periode van 23 maart 2007 tot en met 31 maart 2007 geen rente betaald. De eerste rentebetaling had volgens de omschrijving betrekking op de periode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008. Dat was voor de Belastingdienst aanleiding om de schuldig gebleven schenking als fictieve erfrechtelijke verkrijging aan te merken.
Volgens de akte van schuldigerkenning zou “op één april tweeduizendzeven over het alsdan sedert de datum van de akte tot en met eenendertig maart tweeduizendacht verstreken tijdvak” rente worden betaald. De Rechtbank Den Haag legde deze bepaling zo uit dat de eerste rentebetaling van € 45.000 betrekking had op de periode van 23 maart 2007 tot en met 31 maart 2008. Het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 gaat uit van betaling van rente achteraf. Door 6% rente vooraf te betalen heeft de erflater meer rente betaald dan waartoe het Uitvoeringsbesluit hem verplichtte. Daarom was van een fictieve verkrijging geen sprake
Lening onzakelijk geworden door handelen schuldeiser
/in FiscaalEen lening tussen gelieerde partijen is onzakelijk als de geldverstrekker een debiteurenrisico loopt dat een onafhankelijke derde niet zou hebben geaccepteerd. Behoudens bijzondere omstandigheden wordt ervan uitgegaan dat het debiteurenrisico is aanvaard met de bedoeling het belang van de gelieerde partij te dienen. Een eventueel verlies op de geldlening komt niet in mindering op de winst of het inkomen van de geldverstrekker. Een lening kan aanvankelijk zakelijk zijn, maar tijdens de looptijd onzakelijk worden. Ook dan geldt dat een eventueel verlies niet (meer) in mindering komt op de winst of het inkomen.
Een dga, die een lening had verstrekt aan zijn BV, heeft volgens de rechtbank gedurende de looptijd van de lening zijn positie als schuldeiser verslechterd. Met instemming van de dga wijzigden de BV en de bank de bestaande kredietovereenkomst. De kredietfaciliteit van de BV werd daardoor uitgebreid, maar de BV moest extra zekerheden geven. De dga moest zich borg stellen en de bank stelde als voorwaarde dat de door hem aan de BV verstrekte lening werd achtergesteld bij de kredieten van de bank. Door de verslechtering van zijn positie als schuldeiser te accepteren werd de lening aan de BV onzakelijk. Volgens de rechtbank zou een onafhankelijke derde het door de dga geaccepteerde debiteurenrisico niet hebben genomen. Gevolg van de onzakelijkheid van de lening was dat de latere afwaardering niet aftrekbaar was van het inkomen van de dga.
Depotstelsel komt er definitief niet
/in Geen categorieVolgens een bericht op de website van de Belastingdienst komt het depotstelsel er niet. Dat betekent dat de g-rekeningen blijven bestaan. Het depotstelsel zou aanvankelijk per 1 januari 2014 worden ingevoerd. In de periode van 1 juli 2014 tot 1 juli 2015 zouden de bestaande g-rekeningen door een depot worden vervangen. Het systeem van de g-rekeningen wordt volgens het bericht toekomstbestendig gemaakt. Wat dat inhoudt is nog niet duidelijk. De systematiek van vrijwaring door storting op de g-rekening verandert niet. Ook de doelgroepen veranderen niet.
De invoering van een verplichte g-rekening voor niet-gecertificeerde uitzendondernemingen gaat voorlopig niet door. Ook de mogelijke uitbreiding voor zzp’ers om een g-rekening te openen wordt niet verder onderzocht.
Studerend Kind
/in Fiscaal, Geen categorieStuderend kind? Makkelijker kunnen we het niet maken. Wel iets goedkoper.
We willen natuurlijk allemaal graag dat onze kinderen studeren. Het is een investering in hun toekomst en wie weet, nemen ze later de zaak wel van u over. Maar zo’n studie is niet alleen tijdrovend, het kost ook het nodige. En de belastingregels zijn wat gewijzigd, dat maakt het er niet eenvoudiger op. Gelukkig is er toch een manier om uw kinderen fiscaal aantrekkelijk door hun studie te helpen. Financieel dan, dat studeren moeten ze toch echt zelf doen.
Toekomstig fiscaal voordeel
Per 1 januari 2015 vervalt de aftrek voor kosten van levensonderhoud voor kinderen jonger dan 21 jaar. Uw kind kan wel zelf fiscaal voordeel behalen door directe studiekosten (collegegeld, computerkosten, examengeld en dergelijke) af te trekken bij de aangifte inkomstenbelasting. Dat is vooral handig als uw kind geen of een laag belastbaar inkomen heeft. Die studie-uitgaven worden dan als persoonsgebonden aftrek naar de toekomst verlegd. En na de studie verrekent uw kind die aftrek met het belastbaar inkomen. Uw kind bouwt zo dus een toekomstig voordeel op.
Lenen en terugbetalen
Het lastige is dat uw kind die studiekosten waarschijnlijk niet zelf kan betalen (anders hoeft u niet bij te springen, nietwaar?). Maar het is wel een voorwaarde voor aftrek dat de kosten gemaakt worden door het kind zelf. De oplossing is dat u uw kind geld leent. Om te voorkomen dat de belastingdienst die lening als schenking ziet, rekent u 6% rente en maakt u een leenovereenkomst. Vermeld daarin het doel van de lening en een terugbetalingsverplichting. En dat terugbetalen kan dan weer eenvoudig door de jaarlijkse schenkingsvrijstelling van € 5.277 te benutten.
Studie fiscale aftrekpost
Ook zonder de aftrek voor de kosten van levensonderhoud van uw studerende kind is er zo dus fiscaal voordeel te behalen. De studie wordt er niet makkelijker van. Maar wel wat goedkoper.
Ontslag op staande voet na niet toegestane vakantie
/in arbeid en rechtDe enige werknemer en directeur van een BV werd op staande voet ontslagen omdat hij ondanks een geweigerd verzoek om vakantiedagen op te nemen toch op vakantie ging. Kort voor het indienen van het vakantieverzoek had de andere werknemer van de BV ontslag genomen. De werkgever weigerde de gevraagde vakantie met een beroep op zwaarwichtige bedrijfsbelangen. De werknemer bestreed het ontslag op staande voet, maar zowel in eerste aanleg bij de kantonrechter als in hoger beroep bij het gerechtshof bleef het ontslag in stand. De werknemer had geen zwaarwegende omstandigheden aangevoerd om juist in de door hem gewenste periode met vakantie te gaan, terwijl de werkgever bij gebrek aan adequate vervanging vooral de verzochte duur van de vakantie te lang vond. Daar kwam nog bij dat de werknemer op dat moment onvoldoende vakantiedagen had opgebouwd om de gewenste periode afwezig te zijn. De weigering van de werkgever om in te stemmen met een vakantie van de gevraagde duur was gerechtvaardigd. Het vervolgens zonder bericht van verhindering wegblijven van het werk leverde de voor ontslag op staande voet benodigde dringende reden op. Door weg te blijven zette de werknemer zijn werkgever voor het blok en kwamen de activiteiten stil te liggen. Vanuit zijn functie van directeur had de werknemer een grotere mate van verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering dan een andere werknemer.
De wettelijke regeling voor het vaststellen van vakantie van een werknemer is als volgt. De werkgever stelt de vakantie vast in overeenstemming met de wensen van de werknemer, tenzij er gewichtige redenen zijn om de vakantie niet toe te staan. De werkgever moet binnen twee weken beslissen op een verzoek om vakantiedagen vast te stellen. Doet de werkgever dat niet, dan wordt de vakantie geacht volgens de wensen van de werknemer te zijn vastgesteld. Een voorbeeld van een gewichtige reden om een vakantieverzoek te weigeren is dat door de afwezigheid van de werknemer de gang van zaken in het bedrijf wordt ontwricht.
Beheer vakantiewoningen geen onderneming
/in FiscaalDe inkomstenbelasting kent een rangorderegeling om te bepalen hoe een bepaald voordeel als belastbaar inkomen moet worden aangemerkt wanneer dat voordeel in beginsel op meerdere manieren in de belastingheffing zou kunnen worden betrokken. Volgens de rangorderegeling wordt een voordeel toegerekend aan het eerste hoofdstuk van de wet waaraan het voordeel zou kunnen worden toegerekend. De winst uit onderneming gaat in de wet vooraf aan het resultaat uit overige werkzaamheden en aan het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Eerst moet dus worden beoordeeld of een voordeel behoort tot de winst uit onderneming. Is dat niet het geval dan komt de vraag aan de orde of sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden en vervolgens of sprake is van inkomen uit sparen of beleggen. Een onderneming is een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die deelneemt aan het maatschappelijke productieproces om winst te behalen. Voor het onderscheid tussen winst uit onderneming en inkomen uit sparen en beleggen kan de omvang van de factor arbeid van belang zijn. Het bezit en het beheer van een aantal onroerende zaken kwalificeert in beginsel niet als een onderneming.
De eigenaar van een aantal vakantiewoningen nam deze vanaf de aankoop in 2004 op in box 3. Met ingang van 1 januari 2008 merkte de eigenaar de exploitatie van de vakantiewoningen aan als een onderneming. Volgens de rechtbank waren er geen bijzondere omstandigheden die een herkwalificatie van de bezittingen rechtvaardigden. Herkwalificatie tot werkzaamheidsvermogen was evenmin aan de orde. De positie van de eigenaar was niet veranderd. De woningen werden zowel in 2008 als in de jaren daarvoor door een verhuurorganisatie te huur aangeboden. De werkzaamheden die de eigenaar met ingang van 2008 was gaan verrichten vloeiden niet voort uit de eigendom maar uit de familierelatie met de directeur/aandeelhouder van de verhuurorganisatie.
In hoger beroep heeft Hof Amsterdam de uitspraak van de rechtbank onderschreven
Investeringsaftrek 2015
/in Geen categorieDe regeling van de investeringsaftrek is bedoeld om de investeringen in bedrijfsmiddelen te bevorderen. Er zijn drie vormen van investeringsaftrek: kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), energie-investeringsaftrek (EIA) en milieu-investeringsaftrek (MIA). De bedragen voor 2015 zijn als volgt.
Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)
Voor investeringen in bedrijfsmiddelen kan KIA worden genoten indien het investeringsbedrag ligt tussen € 2.300 (2014: idem) en € 309.693 (2014: € 306.931). Er geldt een minimuminvesteringsbedrag per bedrijfsmiddel van € 450.
Geen KIA wordt verleend over investeringen in onder andere woonhuizen, verhuurde roerende en onroerende zaken, personenauto’s, goodwill, concessies en vergunningen. Met ingang van 2014 komen zuinige personenauto’s niet meer in aanmerking voor KIA.
Energie-investeringsaftrek (EIA)
De tarieven van de EIA voor investeringen in energiebesparende bedrijfsmiddelen zijn niet gewijzigd. De EIA bedraagt 41,5% van het investeringsbedrag. Het maximale investeringsbedrag waarover aftrek wordt verleend bedraagt € 119 miljoen (2014: € 118 miljoen). Voor het recht op EIA moet het investeringsbedrag per bedrijfsmiddel tenminste € 2.500 (2014: idem) bedragen.
Milieu-investeringsaftrek (MIA)
De tarieven van de MIA voor investeringen in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als milieu-investeringen zijn niet gewijzigd.
Met ingang van 2014 geldt een minimuminvesteringsbedrag per bedrijfsmiddel van € 2.500. Er geldt een maximumbedrag van € 25 miljoen waarover MIA wordt verleend.